logo

U kent het vast wel… dat verhaal van die eersten en die laatsten. Ik heb daar vroeger, toen ik zo’n jaar of dertien /veertien was, heel wat over nagedacht. Hoe konden die vele eersten dan wel niet de laatsten worden en die laatsten de eersten? Het leek mij op zijn zachtst gezegd heel onwaarschijnlijk. Bovendien… wat is dat nu voor onzin! Er is toch altijd maar één eerste en één laatste? Zelfs nù word ik door mijn pc weer bevestigd in die gedachte. De woorden laatsten en eersten staan rood onderkringeld op het scherm: taalfout, kan niet!     

U kunt mij op dit gebied best als een deskundige beschouwen. Ik weet er namelijk alles van wat het is om laatste te zijn. Ik ben op school vrijwel altijd de laatste geweest, en wel bij sporten en bij wedstrijden. Zoiets tekent je op dertien /veertienjarige leeftijd! In de eerste klassen van wat toen nog de middelbare school heette, kwam er verandering in die unieke positie van mij. Er was nog iemand, net zo klein als ik. Hij kon net als ik ook de groten en de sterken nooit bijhouden. Hij heette Dik en ik moet nog wel eens aan hem denken. Wij zaten op een christelijke school en hij geloofde ook niets van die prachtige toekomst van ons… laatsten.

Dik en ik zaten nooit in dezelfde partij als het ging om wedstrijdspelen. Dat kwam natuurlijk omdat wij altijd als laatsten werden gekozen voor een ploeg en de selectie ging één voor één. Dat gold voor alle wedstrijden: voetbal, handbal, korfbal en noem maar op. De groten en sterken, de lange lierebomen die goed konden volleyballen en zo, ja… díé mochten altijd de ploegen kiezen, en wij … wij bleven over als laatsten, omdat wij nu eenmaal niet “goed” waren. Wij werden dus altijd in een verschillende ploeg “gekozen” en waren tijdens groepswedstrijden gedwongen tegenstanders. In werkelijkheid was dat overigens niet zo. Wij hadden voor onze situatie op een gegeven ogenblik een eigen spelregel gemaakt. Die toekomst, als eersten, duurde ons veel te lang en dus trokken wij beiden de conclusie dat er iets moest gebeuren, als de sportbeoefening voor ons iets aardigs moest krijgen: wij maakten samen een nieuwe spelregel. Die regel bestond uit pure wraakoefening van ons underdogs tegen de gróten van deze aarde en kwam erop neer dat wij onze eigen partij ondermijnden. Als ik weer eens ondersteboven werd gelopen door een “grote” van de tegenpartij, dan zorgde Dik ervoor dat die grote (van zijn partij dus) op een merkwaardig ogenblik struikelde. Daar was hij echt goed in. En als Dik werd gemolesteerd door een grote van mijn partij, dan kwam het scheenbeen van die partijgenoot van mij binnen de kortste keren zeer onzacht in aanraking met de punt van mijn schoen. En daar was ík echt goed in! Ach… wij waren dertien jaar oud….       

Het leven is één en al wedstrijd en echte strijd. In zo’n tijd als deze van toetsen en van examens, denk ik daaraan nog wel eens terug, vooral als ik schooltassen aan een vlaggenstok zie hangen. Geslaagd…, níét de laatsten, denk ik dan. Wij moeten in deze periode maar goed denken aan onze kinderen, onze kleinkinderen, en aan de moeilijke dagen die zij soms doormaken, en aan de spanningen waaraan zij blootstaan. Het valt allemaal niet mee… om het niet te halen, vooral niet om het nèt niet te halen, om te blijven zitten of om niet naar een bepaalde school te mogen omdat je niet aan de eisen voldoet… om de laatste te zijn. Ik weet nog goed hoe dat was, tóén… met Dik en mij… En die toekomst, dat je de eerste wordt? Ach… dat is niet nù.