logo

In mijn herinnering was zij er altijd, in mijn kinderjaren tijdens vakanties en met pasen en kerst: mijn tante, tante Annie. Zij woonde in Groningen en was huishoudster. Ze kwam mijn moeder in ons drukke gezin een handje helpen. Het was altijd feest als zij kwam. Het ware van haar hele geschiedenis is mij nooit helemáál geopenbaard. Er was iets… met iemand die haar in de steek had gelaten, een ongelukkige liefde. Zij was een lieve vrouw, tante Annie, zij onderging eigenlijk alles en accepteerde het leven zoals het haar gegeven werd. Ze was altijd vrolijk, ik kan me niet herinneren haar ooit kwaad te hebben gezien.     

Zij liep altijd hard. Ze had een bijzonder soort snelwandeltechniek die helemaal bij haar hoorde. Wij - de kinderen - zagen haar al van verre aankomen, al snelwandelend met haar koffer, en ze had een zware koffer! Die kóffer, de koffer van tante Annie, wij vochten om die koffer, om wie het eerst bij haar was en de koffer zou kunnen dragen. Niet dat wij nu zo graag een koffer droegen, nee... maar wie de koffer droeg, kon die ook naar boven brengen en kon als eerste het slot openen en een blik werpen op de inhoud. Ik weet nog goed wat er allemaal in zat: kettingen, hopen kettingen, bh' tjes, veel meer dan ze ooit zou kunnen dragen, broekjes, in elke lengte en dikte, sokken, tasjes, zakdoeken in overmaat. Het was één grote troep… En zij wist het. Zij wist dat wij allemaal zo vlug mogelijk in de koffer wilden kijken en ze wist dat de inhoud uit niet meer bestond dan een grote hoop veelal onbruikbare rommel. Ze schaterde erom, maar ze deed het altijd weer... "Oeh, hatsje...!" schrok ze, steeds als ze merkte dat wij de koffer hadden opengemaakt en met de nek vol kettingen naar beneden kwamen.     

Als ze aankwam zag ze er uit als een eskimo, zó dik zat ze in de kleren. Van verre al zwaaide ze ons toe met de vrije hand, al snelwandelend. "Heu...," riep ze dan, "heu... !" Het was niet voor niets dat ze zoveel kleren aanhad. Niet dat het iets met het weer uitstaande had, nee. Of het nu warm was of koud maakte niets uit. Het was heel eenvoudig: ze had alle kleren aan die niet meer in de koffer konden. Ze droeg een aantal broeken over elkaar en daaroverheen een paar rokken, een paar truien met daaroverheen een paar jassen, en een muts met een hoed erbovenop. Het duurde ruim een half uur voor ze letterlijk was uitgepeld, een tijd van ongekende vrolijkheid. "Oeh, hatsje...," lachte ze dan.

De wc gebruikte ze veelvuldig en vooral langdurig. Het slot op de deur was aan haar niet zo besteed. We hoorden haar praten met de deur op een kier. Ze mompelde voor zich heen: Kóudekerke, Méliskerke, Aágtekerke, Sérooskerke, Véé-éé-re. Het sloeg nergens op en als we vroegen wat dat betekende, zei ze lachend: "Dat zijn pl... pl… plaatsen op W… W... Walcheren...!" Later begreep ik pas dat dit een spreekoefening was, want… tante Annie stotterde. Ze stotterde zó erg dat ze vaak nauwelijks een woord kon uitbrengen. Haar keel en haar strottenhoofd verwrongen zich dan in een uiterste krachtsinspanning om te spreken. Het kwam ook voor dat je het nauwelijks hoorde, alleen aan het begin van sommige woorden. Het hing in hoge mate af van haar gemoedsgesteldheid en haar ademhaling. Meestal was het niet best en kon ze niet uit haar woorden komen. Achteraf denk ik dat zij letterlijk sprakeloos was van wat er allemaal in haar leven gebeurde... of misschien van wat er niet gebeurde…     

Tante Annie was een diep gelovige vrouw. Ze kon er niet zo goed over praten, maar erover zingen… dàt kon ze! Daar ging het allemaal om, dat wist ze: zingen... tot eer van God. Zij had een prachtige, ontroerende alt, en ze zong psalmen, gezangen en cantates, tot eer van háár God. Ze zong in een koor en in een kwartet, en ze zong solo… zonder stotteren!

Ik denk nog vaak aan haar terug, aan mijn tante Annie, die wel eigenaardig was maar toch een lichtpunt in mijn kinderjaren. Ze is vele jaren geleden gestorven. Zij wist het zeker, heeft ze mij eens verteld, zij zou later haar plaats in een groot koor gaan innemen...!