logo

In de jaren na de tweede wereldoorlog hadden we in Nederland é-migranten. Voor het land waar ze naar toegingen waren zij ìm-migranten en ze waren vaak met hele gezinnen. Dat soort bestaat nauwelijks meer, heb ik het idee. Er zijn tegenwoordig alleen mi-granten, zonder é- of ìm- ervoor. Voor hen is niets geregeld en ze hebben zelf alleen maar de overtocht betaald bij iemand die hen waarschijnlijk heeft afgezet. Zij hebben zoveel ze konden bij elkaar geschraapt en hun eigendommen verkocht. Alles wat ze hebben, dragen ze bij zich. Geen enkel geloof hebben ze meer in het land waar ze zijn geboren en opgegroeid, geen enkele hoop meer op een toekomst in dat land, geen sprankje. Ze komen uit Syrië en het noorden van Afrika.

Voorbij de oude hoofdstad van het Oost-Romeinse rijk, Constantinopel en het vroegere Byzantium, dáár willen ze Azië uit en Europa in. Maar het hek bij de grens met Griekenland is hoog en sterk, en de versperring zit vol scheermesjes. Daar komt niemand door, en zo komen ze nu naar de stranden van de Griekse eilandjes Kos, Lesbos, Samos in niet zo zeewaardige bootjes. ‘Waar willen jullie naar toe?’, vraagt hun een verslaggever. Naar Duitsland... naar Nederland... naar Engeland... naar Zweden. Weg uit eigen land, wèg! Wèg uit Syrië, dat land van dwang en angst, wèg van de Middellandse Zee waar je alleen maar kunt verdrinken. Wèg van het verdoemde Noorden van Afrika waar geen werk, geen inkomen en geen voedsel is. Wèg van het voortdurende geweld. Doodsangst staan ze uit op die zee, maar ze gaan tòch, bij duizenden, tienduizenden, honderdduizenden... mannen, vrouwen en kinderen. Maakt dat eigenlijk indruk op ons hier in het westen?

Jazeker, maar het is allemaal te veel en te groot voor onze hersens om te verwerken, het is te massaal. Dat éne jongetje van een jaar of drie, op het strand van Bodrum aan de zuidkust van Turkije, ja... dàt maakt indruk! Dat had die journalist goed gezien; het aangespoelde lichaam van het jochie stond in alle kranten en kwam op de televisie, overal. En wij? Wij keken ernaar, allemaal. Het kon zó een eigen kind of kleinkind zijn dat even is ingedut, moe van het spelen op de grens van land en water bij onze vakantieplaats in Turkije. Maar dat is niet zo, het jongetje is dood... verdronken.

In hoofdstuk 13 van die brief van vroeger aan de inwoners van Corinthe, vertelt Paulus van geloof, hoop en liefde en de schrijver vond de liefde de grootste daarvan! Ja... maar als je geen liefde hebt, die niet geeft en niet ontvangt, dan kun je nog altijd hópen dat die ooit zal komen en dat er mensen zullen komen die je lief kunt krijgen, dat er iemand zal komen aan wie je liefde kunt geven, of dat er iemand komt die voor jou liefde opvat. En als je geen geloof hebt, dan kun je nog altijd hópen dat je dat ooit krijgt. Maar wat is nou iemand zonder hoop? Die is helemaal nergens, dat is een in elkaar gezakte pudding, dat wordt nooit meer een mens tenzij er nieuwe hoop komt. Misschien is ons doel in dit leven wel om anderen hoop te geven.

Wat kunnen we dóen? Wat zòeken ze eigenlijk hier? Ach, misschien zouden wij best iemand een tijdje in huis kunnen opnemen, maar hoelang moet dat dan en hoelang zal dat goed gaan? We kunnen hen niet eens verstaan behalve als ze wat Engels spreken. Nieuwe hoop hebben die mensen nodig... nieuwe hoop die wij hun misschien kunnen geven. Geloof, hoop en liefde? De grootste is zonder enige twijfel de hoop...!