Hebt u bij tijd en wijle ook zo’n behoefte aan een verlossend woord? En denkt u soms ook: ‘als iedereen nou maar eens gewoon zijn mond hield’… ? En hebt u zo nu en dan ook de hartewens: ‘ach, was de boekdrukkunst maar nooit uitgevonden; wat zou dat heerlijk zijn’…? Wel, dan lijkt u wel wat op mij. Wat ik tegenwoordig allemaal moet aanhoren en lezen… daar kan ik toch zo ontzettend moe van worden! Hebt u daar ook last van?…
Al maandenlang lees ik in mijn favoriete dagblad dat God dood is. Allang… zeggen ze. Nou ja, die stelling zelf is al vrij oud, dat is zo, maar dat neemt niet weg dat ik iedere keer als ik die lees de inhoud weer opnieuw op mij moet laten inwerken, en daarna nog een tijdje moet nadenken over wat daarmee bedoeld is, en misschien nog belangrijker: voor wie die eigenlijk bestemd is. Als u dat soms mocht denken: zulke stellingen zijn niet bedoeld voor de echte ongelovigen. Die lezen zoiets meestal toch niet en mochten ze het wel lezen, dan betekent het niets voor hen. Waarom immers zou een ongelovige willen horen dat God (die er toch al niet was) dood is? Bij zoiets kan hij toch alleen maar de schouders ophalen? Nee, een stelling als ‘God is dood’ komt uit de mond van gelóvigen en er worden gelovigen mee aangesproken… u en ik dus. En wanneer in die serie artikelen, in het katern verdieping/religie& filosofie van die krant van mij, aperte ongelovigen aan het woord komen, dan is het misschien niet zo onlogisch dat hun woorden vaak zo ‘gelovig’ klinken. En gelovigen? Ja, die komen nogal eens ‘ongelovig’ over. De zaken liggen allemaal echt niet zo simpel als velen wel zouden willen. En we zijn ook allemaal zo verschillend…
Er is een tijd geweest dat ik eigenlijk best predikant wilde worden. Een mooi beroep leek mij dat: dienstbaar zijn aan anderen, en toch een vrij beroep, sociaal maar ook met enig gezag in de gemeenschap. Iedere week een preek houden voor een gezelschap van een behoorlijke omvang… En iedereen luistert want dat hoort zo. Vroeger waren we in die gemeenschap grotendeels ‘gelijkgeschakeld’, tenminste… gelijkgeschakeld in de groep waartoe we behoorden, en iedereen behoorde tot zijn eigen groep.
Maar ach, er kwamen in mijn jonge jeugd al mensen naar voren die niet alleen wilden luisteren, die eigenlijk helemaal niet wilden luisteren, maar die steeds maar wilden reageren op de preek en wilden discussiëren tijdens de dienst. Dat zou de zaak immers veel levendiger maken en het zou voor de kerk heel heilzaam kunnen zijn. Ik vermoed dat die dreigende ontwikkeling mijn opkomende roeping ernstig afbreuk heeft gedaan. Kijk, dat idee zinde mij nou helemaal niet. Een prediker moet profetisch bezig zijn, en hij heeft als opdracht altaren van vreemde goden te slechten, en godsafbeeldingen te verbrijzelen van iets dat in de hemel hierboven, of van iets beneden op aarde of in het water onder de aarde is! Dat zie je toch de hele bijbel door gebeuren? Ja, wat dacht u, dat er in Israel in de profetentijd geen huilende mensen bij het door de profeet kapotgeslagen beeld gezeten hebben, het beeld dat grootvader vroeger zelf nog gemaakt heeft? Ja, God is dood; dat zal de profeet met de blik op het verbrijzelde beeld, vast wel tegen hen gezegd hebben. Wij mensen zijn toch zo goed in het maken van beelden. We kunnen er helemaal niet zonder, we proberen ons àlles voor te stellen waarover we het hebben… ook God. We kunnen niet anders, ondanks het eerste gebod.
Ik ben blij dat ik geen predikant ben geworden. Ik zou niet weten hoe ik daarmee om moest gaan… Al die mensen, met al die beelden, misschien nog van grootvader die hun immers voorlas uit de kinderbijbel, en van oma die het avondgebedje opzegde… Moet het beeld van God dat daarbij hoort, worden verbrijzeld? Het is niet zo eenvoudig om prediker te zijn in deze tijd. Predikanten hebben veel gebed van ons nodig… om een verlossend Woord te kunnen spreken.
