Die Herodes had in zijn leven al zoveel meegemaakt dat hij niemand meer vertrouwde, zijn eigen vrouw niet en zijn kinderen zeker niet. Dat ging zover dat hij rustig een complete slachting in zijn eigen familie liet aanrichten, als er dingen plaatsvonden die hem niet zinden. Als er ook maar iemand was die praatjes durfde rondstrooien over een andere koning der Joden, greep hij onmiddellijk in. De senaat van Rome had hem toch zeker niet voor niets op voorspraak van zijn vriend Marcus Antonius en met steun van Octavianus, de latere keizer Augustus, benoemd tot koning van groot-Judea? Er was maar één koning van de Joden en dat was hij! Aan geruchten anderszins moest direkt elke grond worden ontnomen; daar had hij genoeg ervaring mee.
Maar ja, dit was een land vol lieden die dachten dat ze iets waren, een land vol profeten. En het volk was erg gevoelig voor profetieën, vooral als die waren verpakt in legenden uit lang vervlogen eeuwen. Vooral bij geruchten over de geboorte van “prinsjes” uit het geslacht van David of uit de familie van de Makkabeeën moest hij uitkijken. Zoiets kon zomaar uit de hand lopen. Hij liet dan rustig voor de zekerheid in een bepaalde streek alle pasgeboren jongetjes doden! De Romeinen hadden een groot vertrouwen in hem als koning van de Joden, zij gaven hem de vrije hand, en hij hield dat volkje goed onder de duim.
En de Joden zelf? Jarenlang, eeuwenlang zagen ze al uit naar de komst van hun messias. En maar wachten en wachten … tot “masjiach” komt. En maar verhalen vertellen aan hun kinderen: Eéns zal hij komen, die messias die hen bevrijden zal van… ja, van wat eigenlijk? Van hun onderlinge godsdienstige ruzietjes? Van hun onmin met de Samaritanen? Van hun zonden…? Wachtten ze op iemand die nou eens echt het initiatief zou nemen tot het herstel van dat éne Israel, en tot het verdrijven van de onderdrukkers? Zodat er weer een tijd kon komen dat echt ‘héél Israel’ naar die éne tempel kon opgaan om die éne God te dienen? Misschien wèl, maar het duurde allemaal wel lang, zo vreselijk lang dat zeer velen er eigenlijk helemaal niet meer in geloofden. ‘Dan kun je wachten tot Masjiach komt’, ach … zo’n gezegde gaat dan in de loop der eeuwen betekenen dat je kunt wachten tot je een ons weegt.
Nee, dan wij christenen, wat hebben wij het dan gemakkelijk! Wij hoeven niet meer te wachten, wij zijn allang verlost. Dat kun je toch ook wel aan ons zien? Voor ons is die messias al gekomen… ruim tweeduizend jaar geleden! Wij hebben sinds zijn dood en opstanding inmiddels een andere verwachting: wij wachten op zijn terugkeer. Hij heeft zelf beloofd dat hij zou terugkomen en dáárop zitten we nu ècht te wachten en al zólang dat dit in onze taal zo langzamerhand het tegengestelde betekent, nl. dat we daar helemaal niet zo op zitten te wachten. Het tegendeel is het geval: voor velen van ons mag het nog wel even duren. Eerst nog met vakantie, eerst nog een huis, eerst nog een andere baan, eerst nog een kind, eerst nog die reis, eerst nog… Ja zeg, op die manier kunnen we nog een hele lijst maken. De joden zijn kennelijk niet de enigen die het altijd maar moeilijk hebben gehad met al dat wachten dat bij het ‘ver’wachten hoort.
Die herders uit het evangelie van Lucas… dié hadden die verwachting wèl; dié hadden het aan de hemel gezien, net als die drie magiërs die hun verwachting uit de sterren afleidden.
Het kerstfeest is het feest van de verwachting, en van de uitkomst van die verwachting. Moge onze hoop en moge onze verwachting de komende dagen uit onze ogen stralen.
