logo

Jammer toch, dat ‘de wet’ tijdens de kerkdienst tegenwoordig niet meer wordt voorgelezen. Nee, ik bedoel niet de ‘tien woorden’ uit de nieuwe vertaling, maar de èchte wet uit de vroegere vertalingen: de tien geboden, zoals we die noemden, die wij uit het hoofd leerden en die iedere zondag vanaf de preekstoel door de predikant over de hoofden van de gelovigen werd uitgestort: dit mag je niet, en dat moet je wèl. Zó hebben velen die tenminste ervaren, ik ook! Als jongetje van een jaar of zeven luisterde ik altijd aandachtig naar die geboden en verboden. Immers, staat er niet in de catechismus dat ik uit die wet Gods mijn ellende leer kennen? Ja toch? Welnu, dat wist ik al op vrij jonge leeftijd, vooral dat laatste in het rijtje: gij zult niet begeren... niet dit en niet dat, en niets zus en niets zo... noch ièts dat van uw naaste is. Kijk, en dat laatste overtrad ik nou elke week, en wel voortdurend!

Mijn naaste was Arie. Ik zat immers naast hem op de tweede rij in klas vier van wat toen heette de lagere school. Toen ik in 1948 in Delft kwam en daar naar school ging, woonde hij daar allang. Hij was een echte Delvenaar, sprak voortreffelijk “Dellufs” en ik kon dus van hem de taal leren, vooral om een paar rare Friese uitdrukkingen kwijt te raken waarover ik dagelijks “stroffelde”. Mijn uit het Noorden afkomstige onderwijzer moest mij vaak verbeteren en vertelde mij dat stroffelen Fries is en dat het Nederlandse woord struikelen is.

Ik zocht aansluiting bij jongens die mij wel aanstonden, en Arie was één van hen. Hoe ik die jongens uitkoos, weet ik eigenlijk niet. Ik denk dat ik hen gewoon uitprobeerde om te zien of het misschien klikte. En ik selecteerde om één of andere reden Arie en ontwikkelde binnen de kortste keren een grenzeloze adoratie voor hem. Al snel mocht ik naast hem zitten, want een nieuweling mocht na enige dagen zelf de plaats uitzoeken waar hij in de klas graag wilde zitten. Arie had àlles wat ik niet had: hij was groot, kon goed voetballen en had overwicht op andere jongens. Er waren ook wel dingen die Arie niet kon, zoals het leren en onthouden van het wekelijkse psalmversje; dat was best lastig voor hem en ik zei hem dat dan ook uitgebreid vóór bij de overhoring. Onze moderne meester vond dat helemaal niet erg, want hij wist uit ervaring, dat alle leerlingen het beste onthielden wat ze gespiekt hadden of wat hun was voorgezegd!  

Vrijwel elk jaar in de periode van Sint Nicolaas tot Kerst moet ik nog wel eens aan Arie denken. Dat is de tijd dat iedereen immers wordt bepaald bij zijn of haar begeerten? En Arie bezat alles wat ik ook wilde! Vooral voor de kwaliteit van zijn broeken had ik grote bewondering. In die tijd droegen wij korte broeken en plusfours, en hij had verscheidene van die plusfours die er ook nog heel chic uitzagen. Ik had er maar één, gemaakt van een gekeerde broek van mijn vader. Tja, het was nog niet zo lang na de oorlog. Ik moest er voorzichtig mee zijn want als die kapot was moest ik, tot de reparatie klaar was, een korte broek aan met lange kousen. En als ik ergens een hekel aan had was dat aan het dragen van lange kousen, bàh... dat was immers voor meisjes.

Arie had van zulke toestanden helemaal geen last. Lange kousen zag je bij hem nooit, hij had meerdere plusfour-broeken. Op zeker moment vroeg ik hem dus waar je van die broeken kon kopen en of die duur waren. Aries mededeling dat die broeken waren overgenomen en niet gekocht, sloeg bij mij in als een bom. Je kon dus kleren ‘overnemen’... en dat kostte niets!

Mijn rapportage aan het thuisfront leidde er echter niet toe dat ik óók broeken kon overnemen. Ik kon daarvoor geen enkel begrip opbrengen en het gevolg was natuurlijk dat de begeerte alleen maar toenam. En elke zondag weer was ik mij bij het lezen van de wet steeds bewust van mijn grote zonde: begeerte...! Tegenwoordig staat er in de nieuwe vertaling: zet uw zinnen niet op wat een ander toebehoort. Maar zonde tegen dàt gebod lijkt lang zo erg niet als die begeerte van toen, begéérte naar de broek van Arie!