Arnoldus en zijn vrouw Marietje kwamen na een verre zeereis in maart 1655 vanuit Holland aan bij het Fort van Kaap De Goede Hoop, en gingen daar op de thee bij de Van Riebeecks. Zij konden niet vermoeden dat Arnoldus zou worden onthoofd door de Chinezen en Marietje zou overlijden aan de “knokkelkoorts”. Zij waren nog jong, 20 en 21 jaar, en gedreven door hun geloofsijver met grote verwachtingen naar de Oost gegaan. Die Arnoldus Winsemius noemen wij in de familie oudoom Arnold. Vandaar, dat ik bij het lezen van krantenartikelen over die “slechte” activiteiten van onze Nederlandse voorouders, het vaak niet kan laten de wenkbrauwen te fronsen. Ik probeer dan te bedenken wat eigenlijk mijn eigen familie aan al die sores heeft bijgedragen. Rond een portret van oudoom Arnold staat geciteerd: “Ick houde dat het lyden deses tyts niet te weege is etc. Rom. 8 vers 18 ” en Arnold heeft véél geleden. In onze nieuwe vertaling staat: Ik ben er zeker van dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die ons geopenbaard zal worden.
Arnoldus werd geboren in Leiden op 26 september 1634 en zijn vrouw een jaar eerder. Zijn opleiding theologie in Leiden werd bekostigd door de V.O.C., met de bedoeling dat hij zou worden uitgezonden als zendingspredikant naar Formosa. Eén dag na zijn aankomst op Fort De Goede Hoop ging hij vóór in de kerkdienst daar en preekte over 1 Petrus 1: 1-6. Daar ontleent de apostel (in vreemde landen en omringd door verzoekingen) de hoop op zaligheid aan het geloof. Marietje werd in korte tijd bevriend met mevr. Maria van Riebeeck; ze heeft vaak bij haar gegeten. Ze maakten ook samen uitstapjes om de “Hottentotten”, zoals de Hollanders hen noemden, in stamverband te ontmoeten...
In september 1655 bereikten zij fort Zeelandia, het hoofdkwartier van de V.O.C. op Formosa. Zij werden verwelkomd door de gouverneur Cornelis Caesar. Na een paar dagen maakten zij kennis met de overige predikanten, en kregen zij hun plaats van bestemming te horen. Er waren berichten over koppensnellers op het eiland; Marietje was daar behoorlijk door van slag.
Marietje en Arnoldus kregen drie kinderen: Isaäc, Maartje en Isaäc (de 2e). De Hollandse kolonie op het eiland werd geteisterd door ziekten en de kindersterfte was groot. Marietje overleed op 16 december 1660 aan de knokkelkoorts; haar kinderen Isaäc (de 1e) en Maartje waren eerder overleden op 20 december 1655 en op 10 juli 1657. Tijdens een hertenjacht op 19 januari 1657 werd Arnoldus in het rechteroog getroffen door een assegaai. Maanden later pas was de wond genezen en sindsdien droeg hij vaak een ooglapje. Op 17 april 1661 hertrouwde hij met Neeltje Hambroeck, dochter van een oudere collega-predikant.
Op het eiland was de verhouding tussen Chinezen en Hollanders in het algemeen redelijk. De Hollanders hadden vooral in het zuiden van het eiland de macht, de Chinezen in het noorden. Hun leider was een Chinese krijgsheer, een adoptief zoon van een Ming-keizer. Zijn naam was Kok-Seng-Ya, die door de Hollanders, vrijwel allemaal Friezen en Groningers, Coxinga werd genoemd.
Het is oudoom Arnold niet goed gegaan in zijn verdere leven. Bij een strafexpeditie van de Chinezen werd hij met honderden anderen gevangen genomen, en werden hem oren en neus afgesneden; daarna werd hij als laatste van 500 Hollanders onthoofd. Dat hij de laatste was, gebeurde op eigen verzoek om de anderen nog geestelijk te kunnen bijstaan. Hij was toen 27 jaar oud. Waarschijnlijk was deze massaonthoofding een wraakoefening van Coxinga voor de beschieting van een Chinees legerkamp door drie Hollandse schepen, maar duidelijk is dit niet. Later is Arnoldus’ weduwe met stiefzoon Isaäc teruggebracht naar Holland, na lang aandringen van de kerk van Batavia bij de V.O.C. om de weduwe van ds. Winsemius voldoende geldelijke steun te geven voor haar repatriëring.
U heeft er misschien begrip voor, dat ik het niet kan laten bij al die berichten tegenwoordig over het slechte verleden van ons Nederlanders, de wenkbrauwen te fronsen…
