Een beetje terugkijken in de tijd die bijna voorbij is, is goed als het zo tegen kerst en oud- en nieuwjaar begint te lopen. Aan die gewoonte doe ik ook wel eens mee, vooral om vervolgens meteen een beetje vooruit te kijken naar het komend jaar, en dat laatste is niet zo gemakkelijk. Dat komt uiteraard, omdat niemand weet wat komen gaat en we hebben geen idee wat de toekomst voor ons in petto heeft. Natuurlijk, we hebben zo onze verwachtingen en wij vertrouwen erop dat bepaalde gebeurtenissen zullen plaatsvinden, en we hopen ook dat andere niét zullen plaatsvinden, vooral als het gaat om dingen waarvan we zelfs de mogelijkheid niet eens onder ogen willen zien. Maar, éérst gaan we uitgebreid kerst vieren en daarná gaan we elkaar met nieuwjaar het goede toewensen en vaak zelfs het allerbeste. Maar wéten … weten hoe het zal gaan? Nee, dat is er niet bij en dat is maar goed ook, want met die kennis zouden wij maar slecht overweg kunnen. Wij zouden die niet kunnen verdragen!
Wat geweest is: het verleden, ja… dàt is gemakkelijk. Dat verleden hebben we ìmmers zelf meegemaakt, daar weten we alles van. Wij weten nog precies hoe het geweest is. Oh, ja? …Nou… !?! Dat moeten we maar niet te hard zeggen. Wij, mensen, zijn grote vergeters. En wat we niet vergeten, interpreteren wij al naar gelang onze geest er zich bij welbevindt. Bij het ophalen van herinneringen vergeet iedereen graag de ervaringen die maar beter wat naar de achtergrond kunnen verdwijnen, en belicht graag “zijn eigen” feiten. Nee, het verleden is lang niet zo eenduidig als wij wel eens geneigd zijn te denken.
Toen ik nog in het arbeidsproces betrokken was, moest elk jaar een deel van mijn tijd worden besteed aan het jaarverslag, om het verleden vast te leggen, begrijpt u. In mijn begintijd ging dat om het verslag van de waterstaat in een provincie in het oosten des lands. Mijn toenmalige directeur wilde een goed leesbaar en duidelijk boekwerkje doen produceren, dat tot eer strekte van zijn dienst. En zo gebeurde het een aantal jaren… tòt de bezuiniging. Het college van gedeputeerde staten besloot een enquête onder het personeel te houden met de vraag hoeveel tijd er eigenlijk besteed werd aan dat verslag, en waarvoor wij dat jaarverslag eigenlijk zèlf gebruikten. Tja, ik ben zo eerlijk als goud en daarom vulde ik in dat ik dat nodig had voor het jaarverslag van het jaar daarop. Aan de blikken en de woorden van mijn directeur, die mij niet veel later uitnodigde voor een gesprek, begreep ik dat dit antwoord mij niet in dank werd afgenomen. Het jaarverslag sneuvelde niet lang daarna onder de bezuinigingswoede. Waren er nog meer mensen als ik geweest?
Wat nog komen moet, de toekomst, ja… dat is veel moeilijker. Die toekomst proberen wij te vatten in beleidsnota’s, waarin we meestal beginnen met te vertellen waartoe onze organisatie eigenlijk op aarde is. En de grote vraag is: wat gaan wij doen het komend jaar?
Bij zo’n vraag moet ik altijd denken aan het verhaal van de rijke jongeling, die aan Jezus vraagt wat hij moet doen om het eeuwige leven te beërven. Hij wist dat natuurlijk best en Jezus geeft naar mijn idee een wat plagerig antwoord: Wat heb je je hele leven lang nou geleerd, wat zijn de geboden? Wel, dat wist hij wel: niet moorden, geen overspel plegen, niet stelen, niet liegen en bedriegen, en je vader en moeder eren. Ach ja, maar dat had hij zijn héle leven al gedaan en toch voelde het niet goed genoeg. Nee, daartoe zou hij iets radicaals moeten doen: al zijn bezit van de hand doen en de opbrengst verdelen onder de armen. Door dat antwoord was hij behoorlijk van slag, want hij bezat heel veel. En hij moest dat natuurlijk allemaal voortdurend bewaken en beheren om voldoende opbrengst te krijgen.
Ja zó gaat dat als je zoveel hebt, je bent dan voortdurend bezig met gisteren en morgen, terwijl het gáát om het heden. Dat ligt in tussen gisteren en morgen. En dat heden is maar zó kort dat het al voorbij is vóór je het woord hebt uitgesproken. Ik wens u de komende dagen een heel gelukkig heden…
