Hij was docent en probeerde in de eerste klas van het lyceum, als leraar in de Duitse taal en letterkunde, zo’n 35 jongetjes van een jaar of twaalf enige liefde bij te brengen voor die taal en ook voor de literatuur van die taal. Soms slaagde hij daarin en soms ook niet.
Op het eerste lesuur van de maandagmorgen deed hij wat anders, dàn was hij leraar godsdienst. Hij had enige tijd theologie gestudeerd, was ouderling in de Nederlandse Hervormde gemeente van Delft en hij had een omvangrijke bijbelkennis, die hij ook tijdens zijn lesuren Duits volgaarne demonstreerde. Als hij het lokaal binnenkwam, meteen papier liet ronddelen en zonder iets te zeggen op het bord schreef Spreuken 4: 25, dan wisten we het al: proefwerk! Zonder twijfel weten bijbelvaste lezers wat daar geschreven staat in de NBG vertaling van 1951: Laten uw ogen voorwaarts blikken en uw oogopslag rechtuit zijn. Wie zich aan dat bijbelwoord niet hield en trachtte te spieken bij buurlieden vóór of opzij, moest zich van de hoogte van zijn cijfer niet veel voorstellen.
Een moeilijk uur, dat eerste uur van de week, zeker voor de leraar. Ja, wat dacht ú dan, dat leerlingen vroeger alles wèl volgens de goede orde deden? Nou… nee hoor, zeker niet op de vroege maandagochtend. Nee, dan was bij velen de brug open, een fietsband lek, of er was een wekker die niet was afgelopen, of een moeder die zich had verslapen, en ga zo maar door. Met de binnenkomst van dit soort lieden verstreek natuurlijk een deel van het uur. Meestal liet hij hen in groepsverband even wachten en sprak dan, na hen één voor één doordringend te hebben aangekeken: Ga in, en zondig niet weer! Zo nu en dan was er één die het al te bont maakte en pas tegen het einde van het uur aankwam. In dat geval schakelde hij soepel over op 2 Koningen 5: 25. Vanwaar Gehazi? vroeg hij dan. Het juiste antwoord op die vraag is natuurlijk: uw knecht is nergens heen geweest, of beter nog uw knecht is noch herwaarts noch derwaarts gegaan (statenvertaling). Wist de persoon in kwestie geen van die woorden te produceren, dan werd hij naar de rector gestuurd om uit te leggen waar hij zich dan wèl had opgehouden, en dat was ècht niet leuk… dàt verzeker ik u!
Zo nu en dan maakte de leraar van de godsdienstles een vragenuur. Wij konden dan een onderwerp opgeven waarover we van hem wel eens wat meer wilden horen of dat we wilden bespreken. Zo kon het gebeuren dat wij ons op een morgen bezighielden met de besnijdenis, en vooral met de vraag hoe dat nu precies in zijn werk ging. Ziet u het voor u? 35 jongetjes van 11 à 12 jaar in discussie over de besnijdenis, en een leraar godsdienst die al die zaken nader duidde door schetsjes op het schoolbord. In 1952! De hele klas was tot grote opwinding gebracht door de inhoud van deze les, en vooral door de zeer plastische uitleg van onze leraar die niets aan de verbeelding overliet. Tja, dat had natuurlijk alles in zich voor enige ontsporing welke dan ook plaatsvond, en wel door mijn persoonlijk toedoen.
Thuis bij de avondmaaltijd, was deze godsdienstles uitgebreid onderwerp van gesprek. Ik was enthousiast. Mijn moeder keek wat zuinigjes, maar mijn vader begreep dat dit de beste les was die mij ooit was ten deel gevallen. Onze rector hoorde het verhaal ook, en wel tijdens de vergadering van curatoren. Mijn vader was één van hen en bracht in een gloedvol betoog het lesuur te berde. Er werd heel wat afgelachen door de vroede heren, maar niet door de rector, in wiens nogal steile denkraam de handel en wandel van zijn leerkracht in het geheel niet paste. Zoiets kon natuurlijk absoluut niet! En zo kwam het dat de leraar godsdienst op een avond bij ons thuis aanbelde om mijn ouders uitgebreid zijn spijt over het gebeurde te betuigen. De kwestie werd met veel gelach en onder een drankje afgedaan.
Deze man was met hart en ziel leraar. Heel veel later heb ik hem samen met mijn vrouw, ook een oudleerling, thuis nog eens opgezocht. Hij ontving ons in een rolstoel en vond ons bezoek geweldig. Deze getuige in mijn leven zal ik niet snel vergeten…
