Het woord ‘bijbel’ is via het latijn afkomstig van het griekse biblia…‘boeken’ betekent dat. Op zijn beurt komt dat woord van byblos: dat is ‘papyrus’… een egyptische plant. Van de stengels werd papier gemaakt door die te pletten en kruiselings op elkaar te persen. Vanaf ca. 200 na C verving het duurdere en ook meer duurzame perkament die papyrus, al bleef dat tot de achtste eeuw nog wel in gebruik voor het nieuwe testament. Als u dit leest denkt u misschien: waar wil hij nou toch naar toe? Wel, ik wil het gewoon even met u over de bijbel hebben.
Die bijbel van ons is eigenlijk helemaal niet één boek, het is meer een verzameling boeken of een bundel geschriften. En hoeveel personen er eigenlijk vóórkomen in de bijbel? Ik heb geen idee en ik ben niet van plan die allemaal voor u te tellen, dat heeft vast één of andere hobbyist wel eens gedaan en anders kòmt er nog wel eens één die dat gaat doen.
Over wie en wat gaat het in de bijbel eigenlijk? Wel, over mensen natuurlijk en over hun verhaal, die bijbel gaat over mensen die God liefhebben en met God door het leven willen gaan en over mensen die van God niet (willen) weten of heel kwaad zijn op God, èn over mensen die God ontkennen. Het gaat in de bijbel over hun geschiedenis. Die soorten mensen komen we tegenwoordig ook overal nog tegen. Zo kom ik in mijn dagelijkse ‘leesleven’, voor mijn huidige doen al vrij vroeg in de morgen, bij het dagblad Trouw de columnisten Ephimenco, Bert Keizer en Stijn Fens tegen. Hun columns zijn heel verschillend, maar de schrijvers hebben een vergelijkbare achtergrond. Ze zijn van rooms-katholieke huize en waren in hun jeugd misdienaar. Ze hebben uit dat verleden behoorlijk wat overgehouden wat vast zit in hun denkpatroon. Je merkt dat duidelijk aan de inhoud van hun columns; ik mag hun stukjes graag lezen.
Zo schreef Ephimenco onlangs over de eeuwigheid. Die leek hem vroeger ontzettend lang toe. Wat moest je daar in Gods naam in dat nieuwe leven zonder einde doen? (Hij heeft er kennelijk niet bij stilgestaan dat er ook nog een nieuwe aarde zou zijn). Had je daar ook speelgoed en tv’s? Hij vond die eeuwigheid echt problematisch, maar was wel opgelucht toen hij begreep dat hij na zijn dood met zijn ouders herenigd zou worden. Maar ja, om nu de hele godganse eeuwigheid over God, Jezus en Maria te filosoferen? Nee, dat kon hij zich niet als een zaligheid voorstellen en hij begon een angst te ontwikkelen voor iets als een eeuwige verveling.
Stijn Fens vindt al die mensen die wel willen maar niet kùnnen geloven in een God die aanwezig is, maar arrogant en een beetje zielig. Bert Keizer, de verpleeghuisarts, schreef onder andere over de angst van de grote natuurkundige Blaise Pascal, die ergens rond 1660 omhoog keek naar de sterrenhemel en nergens ooit een spoor van God had kunnen ontdekken. Dat alleen zijn van de mens in de onmetelijke ruimte, vervulde hem met angst. Keizer zegt daarover: ’Ik denk dat al die idiote pogingen van ons mensen om op andere planeten leven te ontdekken, moeten worden gezien als pogingen om àf te komen van het angstige gevoel dat we hier, zonder God, ècht alleen zijn. Als God goed Zijn Oor te luisteren zou leggen in het heelal, dan zou Hij de mens tot in de verste uithoeken horen roepen: ‘Hallo, is daar iemand? Hallo, hallo…’ Dat is toch ongelofelijk, al dat roepen van ons mensen naar God…?
