...Tja... Dat is toch wel een wat vreemde manier om iemand welkom te heten, als die bij je voor de deur staat. Vindt u ook niet? Nou... maar zo ging het wel ongeveer bij ons in Nederland, toen de eerste golven “gastarbeiders” aankwamen. Het is mogelijk dat het mij destijds ontgaan is, maar ik herinner me niets van welkomstavonden van allerlei plaatselijke sociale verbanden, zoals bijvoorbeeld kerken, die hun deuren op bepaalde dagen openstelden voor onze nieuwe “mede”landers: Spanjaarden, Italianen, en later Turken en later nog veel meer Turken, en ook Marokkanen. Nee, zo ging dat niet. Ze waren wel nodig, maar zijn toch niet zo erg liefderijk in het hart van ons volk ontvangen. En nu, zo’n dertig, veertig jaar later? De helft van Rotterdam wordt bewoond door allochtonen of hun nakomelingen, evenals andere grote steden.
En dan verschijnt de boodschap van ds. At Polhuis in Centraal Weekblad (C.W.) van 21 januari en ook in Trouw. Hij is (gedesillusioneerd?) gangmaker van het oude-wijkenpastoraat en luidt de noodklok, als voorzitter van de kerkenraad in Rotterdam-Zuid. Stop met alles op het paard van het diaconaat te zetten en ga evangeliseren. Dat was ongeveer zijn boodschap in het blad van 21 januari. “De kerken in de stad zijn aan de laatste lichting ouderen bezig. Over acht jaar kan de laatste het licht uitdoen. Daarom moeten we alle kaarten zetten op evangelisatie.” Dat zegt hij in het C.W. van 18 maart tegen Koos van Noppen. Deze laatste beschrijft onder de titel Plekken van heil waar de lofzang is verstomd zijn bezoek aan het gebouw waar hij vroeger, zo’n veertig jaar geleden, is gedoopt. Het litteken van mijn doop, staat boven het verhaal. Het gebouw is de vroegere Mathenesserkerk. Hij noemt die zelf nog altijd zo, maar het is al zoveel jaar een moskee: de Marokkaanse An-Nasr-moskee... de basis van El Moumni.
Het is een beklemmend verhaal. Er gingen vroeger met gemak 1200 mensen in die kerk. En elke zondag stroomden de kerkgangers toe, driemaal... en nu? Op de plek waar vroeger stond geschreven “Zalig zijn degenen die het woord Gods hooren en hetzelve bewaren”, staat nu met grote Arabische tekens Allah en Mohammed, met daaronder een soera. Waar zijn toch al die mensen van vroeger gebleven? Ze zijn in de tijd van de Kevers en de Dafjes vertrokken met hun gezinnen... wég van daar! Zo is het gegaan, en het is natuurlijk een nare zaak voor de paar overgeblevenen, zoals die 91-jarige schippersdochter, die in de jaren twintig de kerk gebouwd heeft zien worden, betaald met dubbeltjes en kwartjes uit speciale spaarbusjes van de kerkleden.
Jaarlijks verlaten ongeveer vijftig volle Mathenesserkerken de Protestantse Kerk in Nederland. Ja... ik weet het, het geeft geen plezierig gevoel. En we hebben best een woord voor de wereld, maar de wereld is meer geholpen met onze daden. Zending onder heidenen en Mohammedanen, waarop sommigen de nadruk leggen? Nee toch zeker... zulke busjes wil ik in elk geval niet meer zien! Of is dat een verkeerde gedachte van mij?
En als er nou weer eens mensen bij ons aankloppen, dan ontvangen we die toch wel beter, hè, doen we toch zeker gewoon open? En als ze onze deur soms niet weten te vinden, dan wijzen we die toch zeker even, zoals nu uitgeprocedeerde asielzoekers. En als ze bij ons op de stoep staan, dan zeggen we voortaan niet meer U kunt niets voor mij doen... dààr is de uitgang, maar gewoon Waarmee kan ik u van dienst zijn, zoals wij allemaal het vroeger geleerd hebben!
