logo

Soms word ik moe van al die afkortingen die wij in het Nederlands gebruiken en er komen er ook steeds meer bij, heb ik de indruk. Het lijkt wel of iedereen die zichzelf iets vindt, een nieuwe afkorting bedenkt. Ik kom daarop omdat ik aan het tellen ben hoeveel er in het laatste nummer van dit kerkblad worden gebruikt. Ik ben nog niet uitgeteld, maar op het eerste blad, de eerste twee bladzijden dus, tref ik er al een stuk of twaalf. Ik ben geneigd te geloven dat dit getal wel een diepe betekenis heeft, zoals de twaalf stammen die Israël had, en de twaalf discipelen die Jezus had, en de twaalf artikelen die vroeger tegen de remonstranten zijn ingebracht. Wel, zo heb je ook twaalf afkortingen op de eerste twee pagina’s van het kerkblad.

Wat toch het nut is van al die afkortingen? Ik heb mensen gekend die echt een ‘kick’ kregen van bedenken van afkortingen, en vooral om die te gebruiken bij mensen die geen idee hadden van wat die betekenen.

De afkorting ‘v.d.m.’ viel mij het eerst op bij de advertentiepagina van het dagblad TROUW. Mijn vader bestudeerde die pagina altijd uitgebreid en ik vroeg me dus af wat daar nou allemaal voor belangrijks was te lezen; ik zal toen een jaar of acht zijn geweest. En toen ben ik begonnen die pagina ook te lezen. Je kunt dat ‘v.d.m.’ tegenwoordig nòg wel tegenkomen, maar niet zo vaak als vroeger, heb ik het idee. Het komt vooral voor bij overlijdensadvertenties van predikanten, was mijn indruk. Ja, ik lèt nu eenmaal op dat soort dingen! Mijn vader las die pagina altijd het eerst van alles; diè zou dat vast wel weten.

“Vader, wat betekent v.d.m.?”, vroeg ik. Hij keek nauwelijks op van zijn deel van de krant en bromde: “Oh, dat is een dominee” en vond de vraag daarmee kennelijk voldoende beantwoord. Ik begreep dat niet zo goed, want wat heeft een dominee nou te maken met zo’n afkorting? Ik bedacht al snel dat ik voor de oplossing van dit vraagstuk bij mijn moeder moest zijn, want zij was dochter van een hoofd der ‘school met den bijbel’! Zo’n schoolhoofd wist alles en die had die kennis natuurlijk doorgegeven aan zijn kinderen.            

“Moeder, wat is dat ...’v.d.m.’... ?” vroeg ik dus even later. “Wat zeg je?”, vroeg ze met een volle pot thee binnenkomend. “Wat v.d.m. betekent ...!”, zei ik nog eens met nadruk op elke lettergreep. Nadat zij de pot op het theelichtje op tafel had gezet, ging ze er even bij zitten. “Mijn vader, jóúw opa dus, heeft mij geleerd dat v.d.m. ‘visser der mensen’ betekent; die term wordt gebruikt om aan te geven dat iemand predikant is, want dié vissen toch op mensen? En je schrijft dat achter de eigen naam. Eigenlijk is het latijn, maar dat moet je maar aan vader vragen, want diè heeft Latijn en Grieks gehad op het gymnasium.”

“Vader...? Van welke woorden is v.d.m. een afkorting? Het is latijn, zegt moeder!” Hij was duidelijk klaar met de krant en kon nu aandacht aan mijn vraag besteden. Hij trok een denkrimpel boven zijn neus en verklaarde vervolgens: “Dat is de afkorting van ‘verbi divini minister’, wat in statenbijbel-Nederlands zoveel betekent als dienaar des goddelijken woords; het gaat dus om een dominee. Goed onthouden, dan kun je dat later weer aan anderen vertellen.”

Wel, dat is dan bij dezen gebeurd! Maar, ik kan het niet helpen hoor, ik vind eigenlijk ‘visser van mensen’ veel mooier klinken dan dienaar des woords en visser der mensen. Dat is dus afgesproken :Voortaan gebruiken we v.v.m. visser van (en dus niet der) mensen, dan bewijs ik mijn opa van moeders kant ook nog enige eer en is de taal wat gemoderniseerd!