logo

Misschien behoort u tot diegenen die vroeger in de winter elke dag een lepel levertraan van hun moeder kregen? Net als ik? Dan begrijpt u heel goed waarover ik het heb. Wij kregen die thuis zo ongeveer medicinaal toegediend. Levertraan aten wij niet maar die namen we in, en wel met een speciale lepel die uitsluitend voor dat doel werd gebruikt. Voor je ook maar iets op de tong had gekregen proefde je het al door de geur van de lepel... bàh... levertraan!

Er was een soort ongeschreven gebod: Eet allen van déze lepel! Mijn broer en zussen hebben aan het innemen van levertraan net zulke slechte herinneringen als ik, maar het was wèl gezond, jazeker... geweldig gezond. Dat zeiden mijn ouders tenminste...!

Het toedienen van die levertraan was een soort ritueel, en de lepel der toediening was heel speciaal, bij ons thuis tenminste wèl. Het was een lepel van het soort dat je nu nog in een Chinees restaurant krijgt bij de soep. Bij “de Chinees” wil ik dan ook altijd een àndere lepel bij de soep, maar afdoende is dat helemaal niet. Immers, als ik anderen hun soep van zo’n lepel zie eten, krijg ik meteen al de smaak van levertraan in de mond, en de rest van de avond raak ik die niet meer kwijt. Bah... levertraan...     

In de kerkelijke sfeer zijn er ook van die associaties, die ik nooit meer zal kwijtraken. Ja, u vindt dat misschien vreemd, maar zo roept bijvoorbeeld het woord “allerhande” bij mij bepaald geen positieve sfeer op. Zelfs bij het lezen van al die lekkere recepten in het aldus geheten blaadje van een groot kruidenier, trekt mij een nare smaak door de mond, want ik kàn dat blad niet lezen zonder dat eerst de titel tot mij is doorgedrongen. Ik kan het echt niet helpen, maar dat woord “allerhande” wordt in mijn brein onmiddellijk aangevuld met “ellendigheid, ja de verdoemenis zelf”. En dan leest zo’n blad over lekker eten echt niet lekker meer. Hoe ik aan die tekst kom? Nou, uit het oude formulier om de heilige doop aan kinderen te bedienen, natuurlijk. U vindt dat proza in dat oude formulier voorafgaand aan de vragen aan de doopouders! De ouderen onder ons herinneren zich dat toch zeker wel? Vast wel! Die zin ging als volgt: “Eerstelijk hoewel onze kinderen in zonde ontvangen en geboren zijn, en daarom aan allerhande ellendigheid, ja, aan de verdoemenis zelf onderworpen... ” enz enz.

Als ik dat bij een doopdienst hoorde toen ik zo’n veertien, vijftien jaar oud was (en in die tijd waren er heel wat doopdiensten), begon ik meteen heel hard na te denken en kon mijn gedachten niet meer bij de dienst houden. Wat krijgen we nou, wie bedenkt zoiets, waar gaat dit eigenlijk over en wat wordt daarmee precies bedoeld? Dat kan in zo’n formulier toch wel wat minder woest allemaal? Het lijkt zover af te staan van “laat de kinderen tot mij komen”. Kijk nou toch: wat een prachtig kindje! Moeten die arme schepseltjes van dopelingen dat nou echt allemaal horen? Het is toch God geklaagd? Die kindjes konden beter pas de kerk worden ingebracht als al die misselijke zinnen voorbij zijn. Ja toch? Het klinkt u misschien wat oneerbiedig in de oren, maar dat formulier heeft bij mij altijd een smaak gehad als van die levertraan van daarnet, en eenzelfde soort geur als die van de lepel der toediening. Bah... levertraan...!

Vreemd hè, wat die tekst van zo’n formulier voor gevolgen kan hebben. En het erge is dat later bij de doop van mijn eerste kind datzelfde formulier nog is gebruikt, en dat ik geen enkele poging heb ondernomen om dat voor die gelegenheid gewijzigd te doen uitspreken. Ja... het is te laat, maar ik heb er nù wel spijt van. Tegenwoordig doen we dat gelukkig een beetje anders, heel wat beter en heel wat blijer ook, vind ik.

Wat zegt u? Doen we tegenwoordig bij een doopdienst voor ouders en kinderen vaak allerhande aardige dingen? ...Dat had u nou beter niet op die manier kunnen zeggen...