In deze tijd van de Olympische winterspelen moet ik er weer aan denken: aan mijn eigen sportverleden, en ook aan het verhaal van de eersten die de laatsten en de laatsten die de eersten zullen zijn. U kent dat verhaal natuurlijk ook. Vroeger, toen ik zo’n jaar of dertien was, heb ik daarover veel nagedacht. Hoe konden die eersten nou de laatsten zijn en die laatsten de eersten? Het leek mij op zijn zachtst gezegd heel onwaarschijnlijk. Bovendien, wat is dat nu voor onzin. Er is toch altijd maar één eerste en één laatste? Nou dan …!
U moet begrijpen dat ik op dit gebied een deskundige ben. Ik weet er namelijk alles van wat het is om laatste te zijn. Ik was op school vrijwel altijd de laatste, en wel bij sporten en bij wedstrijden. Door zoiets word je wel getekend op dertienjarige leeftijd! Volgens mij kwam dat allemaal omdat ik de kleinste was. Ik was zeker een hoofd kleiner dan degene die mij in grootte voorging, en we waren even oud.
In de eerste klas van wat toen nog de middelbare school heette, kwam verandering in die unieke positie. Er was nog iemand, net zo klein als ik. Hij kon net als ik de groten en de sterken ook nooit bijhouden, en hij werd bij het voetballen ook ondersteboven gelopen en getrapt, net als ik. Hij heette Dik, en ik moet nog wel eens aan hem denken. Wij zaten op een christelijke school, maar hij geloofde net als ik niets van die prachtige toekomst van ons, laatsten.
Dik en ik zaten nooit in dezelfde partij als het ging om wedstrijden. Dat kwam natuurlijk omdat wij altijd als laatsten werden gekozen voor een ploeg. Iedereen kende immers onze kleinheid en de selectie ging één voor één. Dat gold voor alle soorten wedstrijden: voetbal, handbal, korfbal, hardlopen en noem maar op. De winnaars, de groten en sterken, de lange lierebomen die goed konden volleyballen en zo, ja… díé mochten altijd de ploegen kiezen. En wij? Wij kleinsten bleven altijd over als laatsten, omdat wij nu eenmaal niet “goed” waren. Wij kwamen als laatst overblijvenden bij de selectie altijd in een verschillende ploeg terecht en waren dus tijdens wedstrijden gedwongen tegenstanders.
In werkelijkheid was dat overigens niet zo. Wij hadden namelijk op een gegeven ogenblik een eigen spelregel gemaakt, samenhangend met onze gediscrimineerde status. Die toekomst, waarin wij als laatsten eersten zouden worden, duurde ons veel te lang en dus hadden wij samen de conclusie getrokken dat er iets moest gebeuren, als tenminste de sportbeoefening op school voor ons iets aardigs moest krijgen. Die regel bestond uit pure wraakoefening van ons ‘underdogs’ tegen de gróten van deze aarde en kwam erop neer dat wij onze eigen partij ondermijnden. Als ik weer eens ondersteboven werd gelopen door een ‘grote’ van de tegenpartij, dan zorgde Dik ervoor dat die grote (van zijn eigen partij dus) op een merkwaardig ogenblik struikelde. Daar was hij echt goed in. En als Dik werd gemolesteerd door een grote van mijn partij, dan kwam het scheenbeen van die partijgenoot van mij binnen de kortste keren zeer onzacht in aanraking met de punt van mijn schoen. En daar was ík echt goed in! Ach ja, wij waren dertien jaar oud en zeer wraakzuchtig van imborst! Het leven is één en al wedstrijd en echte strijd. In zo’n tijd als deze van Olympische wedstrijden en trouwens ook in een tijd van toetsen en examens op de scholen, denk ik daaraan nog wel eens terug. Vooral als later in het jaar schooltassen aan een vlaggenstok hangen. Geslaagd! Níét de laatsten, denk ik dan meteen!
Wij moeten in zulke perioden goed denken aan onze kinderen, onze kleinkinderen, en aan de moeilijke dagen die zij doormaken en aan de spanningen waaraan zij blootstaan. Het valt allemaal niet mee om het niet te halen, vooral niet om het nèt niet te halen, om te blijven zitten of om niet naar een bepaalde school te mogen omdat je niet aan de eisen voldoet, en om bij de laatsten te horen. Ik weet nog goed hoe dat was, tóén… met Dik en met mij! En die toekomst, dat je eerste wordt? Ach… dat is niet nù.
