Mijn neef Jack is chemicus en woont in Canada (Vancouver). Hij is docent aan Trinity Western University, en zijn kerk is een groot gebouw dat van buitenaf geheel gesloten overkomt. Op het podium staat een spreekgestoelte, en in de grond verzonken bevindt zich als doopvont een soort badkuip, en tijdens het zingen steken velen op gezette tijden de armen omhoog als bevestiging van de lofprijzing.
Jacks vader kwam eind jaren twintig in het land aan. “Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis, naar het land dat Ik u wijzen zal”. Dat had hij al vaak gehoord, en dat woord heeft vast voortdurend door zijn hoofd gespookt. Hij kon het niet uithouden in Nederland. Hij was zeventien toen hij vertrok naar het land van belofte: Canada. “Nederzetting” betekent dat in een indiaanse taal. Zijn ouders lieten hem gaan en hij heeft hen nooit teruggezien. Hij deed alle werk dat er maar voorhanden was: hij werkte op het land, hij was cowboy en werkte in de vleesverwerkende industrie. Later, vele jaren later, heeft hij het mij opgebiecht: “Had mijn vader mij maar verboden te gaan, dan was ik gebleven…”
“Eén brok onrust, die Dirk“, dàt moeten ze steeds over hem hebben gezegd, toen hij 15 à 16 jaar oud was. En hij wàs ongedurig, hij kon nooit stilzitten en was àltijd op pad. Nooit wisten ze thuis waar hij uithing. School? Niks voor hem. Hij spijbelde veel, deed bij een boer op het land klusjes: paarden ophalen en paarden wegbrengen, koeien verplaatsen, mest kruien, melken. Als hoofd van de “School met den Bijbel” had zijn vader het er maar moeilijk mee: er kwam niets van die jongen terecht. Wat moest hij met hem aan?
En Dirk zelf? Ach, die vond niet zoveel, maar het was zo petieterig hier in dit landje, zo ontzettend benepen: àl dat prikkeldraad, àl die hekken overal en àl die kleine perceeltjes, en àl die bordjes met verboden hier en verboden daar. Hij had ruimte nodig, vergezichten, hij moest weg kunnen gaan zonder dat iemand hem kon vinden: wèg van zijn betuttelende vader, wèg van zijn overbezorgde moeder, wèg van de school, wèg van de onderwijzers, weg van de kerk, weg van dit dorp waar hij stikte in de sociale controle. Deze Dirk was een oudere broer van mijn moeder.
Hoewel in Jacks paspoort Vandyke als zijn naam staat genoteerd, heet hij natuurlijk eigenlijk Van Dijk, om precies te zijn Jan van Dijk, gewoon… naar de vader van mijn eigen moeder. Hij is een volle neef, en je kunt het zien ook, vooral van opzij. En je kunt het hóren aan zijn manier van praten: echte Vandijkenpraat, zou mijn vader zeggen. Nee, ik kan niet uitleggen hoe dat is, het is gewoon zoals de andere Van Dijken uit de familie ook praten. Je herkent het aan de intonatie en het ritme. Ik ontmoette hem voor het eerst in 1992 toen ik met mijn vrouw per auto rondtrok door delen van de VS en Canada waar van ons beiden familie woont. Ik herkende hem direct toen ik hem zag. Nee, niet van foto’s maar aan zijn gelaatstrekken: duidelijk familie!
Het tweede en derde geslacht komt hier in Nederland terug om te onderzoeken wat er eigenlijk allemaal niet deugde in dit land, en men zendt lange rondzendbrieven over alle familiegebeurtenissen van het voorbije jaar. Ze horen er echt weer bij en wij horen bij hen. En als ze ’s zomers soms op bezoek komen, neem ik hen mee naar de Grote Kerk. Dáár voelen wij ons kinderen van één verbond.
