Tja… kaarsjes, ezeltje, schaapjes… licht en donker… sterren… engeltjes… stalletje… Zo nu en dan zit ik daarover wel eens te peinzen. Hoe doe je dat nou, denk ik dan…: een redelijk opgeleid en intelligent iemand echt vertellen over wat wij in de kerk met kerst eigenlijk gedenken? Dat valt helemaal niet mee, vooral als de persoon in kwestie wel iets weet over de bijbel en over het christendom, over de kerk en over christelijke feestdagen. Goed… het is inderdaad zo, dat sommigen echt wel heel weinig kennis daarover hebben en anderen wat meer, en nog weer anderen dènken alleen maar dat ze iets weten: zij “weten” het verkeerde; dat komt nogal eens voor. Ons publiek is heel verscheiden, maar, omdat onze cultuur is doordrenkt van bijbelse achtergronden, vertel je toch eigenlijk niemand iets helemáál nieuws.
Er zijn ook mensen die alleen maar beelden met zich meedragen van zo’n twintig, dertig jaar geleden, toen ze de kerk langzaam maar zeker verlaten hebben. Het sprak hen op een gegeven ogenblik niet meer zo aan, en later helemaal niet meer. En wat daar allemaal in die kerk gebeurde… en wat kerkmensen allemaal doen en gedaan hebben… En wat er allemaal moest… en niet mocht… Nee, van hen hoeft het niet meer. Zij hebben afscheid genomen van al dat gedoe. Ze zijn er klaar mee! Nou… klaar… dàt is misschien ook wat veel gezegd, want als je er met hen over praat, blijken ze er nog steeds vol van te zijn, vaak zo vol dat het vuur hen soms uit de ogen spat. Kent u ook zulke mensen? Kennissen, vrienden, broers of zussen misschien… kinderen? Nee, het valt niet mee om aan hèn over te brengen waarom wij er nog wèl bij willen horen, waarom wij nog wel willen leven in de verwachting… ja, van wat eigenlijk?
Wij hebben van dat verwachtingsfeest, want dat is kerst toch eigenlijk naar mijn idee, ook wel iets al te romantisch gemaakt, denk ik. Dat zal wel samenhangen met het feit dat wij kerst hier op het noordelijk halfrond zijn gaan vieren op het tijdstip van de zonnewende: het duister van de winter gaat plaatsmaken voor de komst van het licht van de zomer. Ja, het duurt nog even, maar niet lang meer. In de plaats van de kou zal weer de warmte komen. Gegarandeerd! Ach, dat Jozef en Maria in zo’n stal bivakkeerden was vast niets bijzonders. Het is ook in ons land nog niet zo lang geleden dat mensen en dieren in één ruimte woonden, sliepen en werkten. Dat was heel gewoon, ook dat ze straatarm waren, en in het Romeinse rijk was dat net zo. Ik heb altijd het idee dat het in de bijbel altijd veel meer gaat over het gewone, terwijl wij vaak zo de nadruk leggen op het bijzondere. Het Romeinse gezag heeft behalve Jezus ontelbare mensen aan het kruis geslagen; het was de normale straf voor verraad aan de keizer en aan Rome... heel gewoon.
Wij hebben de neiging om te denken dat in onze samenleving de zaken er heel wat beter voorstaan dan in die Romeinse tijd, maar ik ben daar nog niet zo zeker van. Het is ook nu de tijd van oorlogen en geruchten van oorlogen, van aardbevingen en van hongersnoden, van opstanden en van martelingen, van ziekte en ellende… net als toen. Wat wij moeten doen is op onze eigen plek hoop en verwachting uitstralen naar de mensen om ons heen, ook als die de hoop verloren hebben.
Laten wij dat ene versje, dat kinderliedje, maar weer eens wat vaker zingen: “Jezus zegt dat hij hier van ons verwacht, dat wij zijn als kaarsjes brandend in de nacht”. Hoop en verwachting levend houden… dáár gaat het toch om? Bij onszelf, bij onze kinderen, bij buren, bij vrienden, en bij de vreemdeling die “in onze steden woont”.
