logo

U hebt vast nooit een geboorte-aankondiging gezien zoals ‘De Here verblijdde ons met de geboorte van onze zoon Judas’, of ‘Wij hebben een zoon en wij noemen hem Judas’. U zou het volgens mij ook wel vreemd vinden om een kleinzoon te krijgen aan wie die naam wordt gegeven. Ik ken iemand uit een ongelovige, al generaties lang, a-christelijke familie die Theodoor heet. Dat die naam godsgeschenk betekent, wisten zijn ouders niet. Kijk, dat kàn allemaal, maar Judas...? Nee, dat kan niet. Wij noemen onze zonen niet Judas. Iedereen weet wat een Judas is en dat Judas staat voor verrader in de slechtste betekenis van het woord. Nee, die Judas staat er bij ons niet zo best op, misschien ook omdat hij waarschijnlijk de enige was van de twaalf discipelen uit Judea. Hij was Jood onder de Galileërs. Zou onze ingesleten mening over hem soms antisemitische trekjes hebben?  

Of die rol van Judas nu echt zo slecht was als wij altijd hebben gedacht, weet ik niet, maar zijn geschiedenis was wèl een drama. Als Jezus nog gehoord heeft hoe hij gestorven is, is hij vast met ontferming bewogen geweest. Aanvankelijk was Judas enthousiast, gegrepen door de gedachte aan een komend nieuw begin en een daarbij behorend einde van de Romeinse bezetting. Waarschijnlijk was hij erg teleurgesteld toen het allemaal anders ging, want die tegendraadse Jezus draaide alles om en deed uiteindelijk alles nèt anders dan hij, Judas, vond dat het had gemoeten. Hij heeft misschien helemaal niet verwacht dat zijn overlevering van Jezus aan het Sanhedrin zou leiden tot uitlevering aan de Romeinen. Misschien had hij op een langdurig godsdienstig proces gehoopt van de religieuze Joodse autoriteiten tegen Jezus, met veel publiciteit, en was hij ervan overtuigd dat zijn Heiland daaruit als triomfator tevoorschijn zou zijn gekomen. In de bijbel wordt daar niets over verteld. Alleen de uitvoering van die typisch Romeinse straf wordt beschreven en het lot van de geheel ontgoochelde verrader. Het lijkt u misschien vreemd, maar ik zoek altijd naar motieven om het in onze hersens ingeprente verradersbeeld van Judas wat te verzachten, ik zoek naar de beweegredenen van Judas. Misschien komt dat wel door mijn eigen rol van destijds... in het begin van 1944. Ik was pas drie jaar oud was en herinner mij het hele voorval niet. Mijn vader heeft het mij later, véél later, uitgebreid verteld.

Mijn moeder was met twee kinderen verstopt op een onderduikadres en hijzelf was altijd onderweg. Hij was altijd ergens anders, maar kon het niet laten om met onregelmatige tussenpozen op de boerderij te verschijnen. Dat was tòen ook zo en ik ben natuurlijk juichend op hem afgevlogen. Bij geval kwam op dat moment een Duitse commandowagen langs. Het ging niet om een razzia, nee. Zoiets gebeurde wel vaker want op die boerderij hadden ze nog èchte koffie en de patrouillerende Duitsers wisten dat. Ze zochten op dat ogenblik alleen de koffie!

De chauffeur bleef bij de auto en maakte een praatje met mij. Mijn vader stond er vlakbij, toen ik de al wat oudere militair aankeek en de onzalige woorden sprak: ‘Gaat u mijn vader nou doodschieten?’ De man verstond dat uitstekend en keek mijn vader verbaasd aan, waarop die het enige deed wat hij kon bedenken: hij barstte in een bulderend gelach uit. De Duitser moest ook lachen en zei tegen mij: ‘Natuurlijk niet’. Hij had immers zelf ook kinderen, hij liet een paar foto’s zien en zei tegen mijn vader: ‘Ja, ja... van je kinderen moet je het hebben’.

Het was maar goed dat de anderen waren gaan koffiedrinken, want... één van hen was een SD-er, en die had vast een paar vragen gesteld aan mijn vader. Alleen al een simpele controle van zijn identiteitsbewijs was voldoende geweest voor een slechte afloop, want volgens dat papier was zijn naam Jan Lootsma, was hij ongehuwd en zonder kinderen.

Nee, ik herinner het me niet, maar ik wéét het wèl. En altijd als het over Judas gaat, moet ik denken aan mijn eigen verraad van tòen, in 1944... in bezet gebied.