logo

Vroeger, toen ik nog moest werken voor mijn brood, had ik een technisch medewerker die er een ijzeren logica op nahield. Dat was in ons vak vaak ook wel nodig en de meest voorkomende vraag die hij in een gesprek stelde, was ‘waarom’? Dat had hij zich eigen gemaakt in zijn dagelijkse omgang met aannemers.

Hij had een thuiswonende zoon van zestien die graag zijn verstand scherpte aan de hersens van pa. Die zoon besprak met hem al zijn problemen en vragen, en die vond dat uitstekend. Op een gegeven moment veranderde dat door een heel onlogisch antwoord op een vraag van pa. De zeer kritische blik van zijn vader ontlokte de zoon het gevleugelde woord: ”Ja pa, ik wit ‘t: da kèn nie… mar da ís!”  

De medewerker vertelde mij het verhaal met enige trots in geuren en kleuren, daarbij opmerkend dat hij dat een goede opvatting vond over dingen die je niet begrijpt en die onmogelijk lijken, maar die je toch voor waar aanneemt. Tja, het lijkt ook op Hebreeën 11 (vertaling 1951): ‘Het geloof nu is de zekerheid der dingen die men hoopt, en het bewijs der dingen die men niet ziet’. Zijn geloof in bepaalde zaken ging hij sindsdien ook met die regel omlijsten, of het nu om techniek ging of om geloof en leven.

Over dit soort zaken ging het ook na de dienst op 11 december jl. in de Johanneskerk. Waar je het tijdens de koffie na een kerkdienst allemaal al niet ‘éven’ over kunt hebben, daar in het kerkenhuis? Wel, over leven na de dood natuurlijk! Niet dat dit nu direct voortvloeide uit de inhoud van de kerkdienst. Het kwam allemaal, omdat iemand van het gezelschap rond ons koffietafeltje meedeelde dat kinderen die nú geboren worden, grote kans hebben om 130 te worden. Eérlijk waar, het stond in de krant en op internet en dan is het zo, tenminste… dat denken veel mensen. Maar eens gaan we dood, allemaal, absoluut!

Dit onderwerp hield in dat iedereen aan het tafeltje wèl éventjes moest bedenken hoe hij of zij dacht over ‘na de dood’, en dat valt helemaal niet mee op zondagmorgen… na de zegen. En daar zaten we dan aan één tafeltje met zijn zevenen. Iemand moest een aanzet geven en beginnen. Zo hadden we het dus opeens over “Na dit leven”, het boek van Eben Alexander, en een ander over het boek van Pim van Lommel, “Eindeloos bewustzijn”. Beide schrijvers zijn arts en hebben het over leven en dood, en vooral over wat er (misschien) na de dood is. Ik moet zeggen: ik heb die boeken thuis, maar ik heb alleen maar gedeelten en stukjes daaruit gelezen.

Het is raar, maar ik kan nooit goed door dat soort lectuur heenkomen en ik vermoed niet dat ik daar ooit in zal slagen. Altijd als ik een artikel of een boek over dat onderwerp in handen krijg, vraag ik mij af waarom mij dat niet lukt. Ik vermoed dat ik het raadsel van mijn eigen dood en wat daarna misschien op één of andere manier nog gebeurt met ‘mij’, liever niet onthuld wil hebben. Zou er nog wel sprake zijn van een ‘mij’? Eén van de zeven zei te geloven in wedergeboorte. Ik vermoed dat die zichzelf eigenlijk heel bijzonder vindt en het daardoor onbestaanbaar acht er op een zeker moment gewoon helemaal niet meer te zijn. Het kan ook zijn dat die persoon vindt in één leven onvoldoende te kunnen leren. Een ander zei, dat hij een geloof in opstanding en een leven na de dood helemaal niet kan verenigen met zijn vak en wetenschappelijke opleiding. Ja zeg, als we met zo’n overschatting van onszelf beginnen …

Kijk, die richting ging ons gesprek dus uit. Het ging tussen ‘da kèn nie, mar da is’ en ‘da kèn nie en da is dus nie’. Maar ach, die woorden “ken nie” en “is” zijn niet gedefinieerd. Ja, dat heb je met ‘geloven’.