Die twee kwamen elkaar niet vaak tegen, één keer per jaar en dan meestal op mijn vaders verjaardag. De ene was onze achterbuurman Cor van Duin, de andere mijn oom Koos. Zij waren ongelofelijk verschillend en tegelijk ook heel erg gelijk. Het was in mijn jonge jaren een genot om hen te horen redetwisten. Ik weet nog goed hoe zij elkaar voor het eerst ontmoetten, want dat had ik eigenlijk zelf bewerkstelligd.
Het moet in 1954 zijn geweest, het was vreselijk koud toen ik van school naar huis fietste. Van verre zag ik het al: oom Koos was er, want zijn grote roze auto stond voor ons huis. Die auto had vrijwel de hele straat nodig, zó groot was hij. Oom Koos was iets heel belangrijks bij een Zwitserse wapenfabriek, wist ik, èn hij had bij die wagen een chauffeur die naar mijn idee alleen maar belagers op afstand moest houden.
Mijn oom was een heiden, dat wist ik zeker want hij vloekte vrij veel! Mijn vader zei altijd dat hij een bijzondere broer was, maar wel vèr-afgezakt-gereformeerd. Maar, dat was niet altijd zo geweest want hij had immers dezelfde ouders als hij? Toen ik binnenkwam, zat hij middenin de kamer schuin tegenover onze grote klok. Vóór hem lag een lange band met patronen, ik had zoiets nog nooit gezien. Achteraf denk ik dat het .50 mitrailleur-munitie was. Hij was met de band over de schouder zó naar binnen komen lopen. Ja, ze waren op het bedrijf bezig nieuwe patroonbanden te ontwikkelen, maar het wou niet. Om één of andere reden hield de mitrailleur er na een paar schoten mee op. De jongens op de zaak waren er al tijden mee bezig maar konden de fout niet vinden. Er deugde iets niet met het losspringen van de schakels van de patronen. Leveringsdata werden echt een probleem, en nu dacht hij dat er in die beroemde technische stad Delft wel iemand te vinden moest zijn die dat probleem voor hem kon oplossen. Hij had een vernuftige, practische technicus nodig die de zaak los van het verleden onafhankelijk kon bekijken. Daarom was hij hier, en hij had er veel geld voor over. Wij kenden hier toch zeker iedereen? Hij keek vragend van mijn vader naar mij en weer terug.
Ik reageerde meteen met mijn veertien jaar levenservaring: Ja hoor, mijnheer van Duin, hè vader? Na enig nadenken knikte mijn vader. Van Duin was onze achterbuurman, broeder in het geloof, huisvriend en mede-ouderling. Hij was instrumentmaker op de Technische Hogeschool. Hij kon alles; hij repareerde brillen, horloges, klokken en barometers. Hij had gouden handen en een scherp verstand; hij was bovendien een “ijveraar”, zowel in zijn werk en als in de kerk, maar... hij was pacifist, en moest niets van wapens hebben.
Oom Koos toog meteen samen met mijn vader naar Van Duin. Na enig heen en weer gepraat liet oom Koos twee schakels en een patroon bij de buurman achter om de zaak eens te bezien. Drie dagen later had deze de oplossing gevonden. Het was zo eenvoudig dat de “jongens op het bedrijf” het eerst niet konden geloven. De roze auto stond binnen de kortste keren weer voor de deur: ze waren eruit! En Van Duin... die zou hij een baan aanbieden, aldus oom Koos, een geweldige man, onbetaalbaar! Hoe moest hij die belonen? Had mijn vader daar een idee over? Nee, dat had die niet; dàt moest hijzelf maar gaan bespreken. En zo ging oom Koos opnieuw naar de buurman, maar nu alleen.
Later heb ik begrepen, dat het gesprek van die twee uren heeft geduurd. Nee, de buurman wilde absoluut niet in dienst treden van de wapenfabriek, ook niet voor veel geld. En hij wilde ook niet worden betaald voor zijn dienst, want dat was een vriendendienst aan onze familie, en bijzondere wensen die oom Koos kon vervullen, had hij ook niet.
Op verjaardagen die in de loop der jaren volgden heb ik hen nog veel horen redetwisten over Jesaja 2:4, Micha 4:3 en over Joël 3:10 (in de nieuwste vertaling 4:10), want mijn oom Koos mocht dan een heiden zijn, hij wist de bijbel van voor tot achter nog goed te hanteren. Eén ding viel mij altijd op, en dat was het respect waarmee ze elkaar bejegenden... de pacifist en de wapenfabrikant.
